Kat & Wijzer» Informatieve artikelen over Katten» Flexibel als een kat

Zo flexibel als een kat

De lichaamsbouw van een kat is erg functioneel. Van de eerste oerkat tot de huidige huiskat lijkt de evolutie maar een doel te hebben gehad: het creëren van het ideale roofdier. De opbouw van het skelet biedt een kat de mogelijkheid om snel en soepel te bewegen. Het is daarom niet verwonderlijk dat het snelste landzoogdier een kat is: de jachtluipaard.


kat op achterpotenKatten zijn, mede door hun soepele wervelkolom, erg lenig. Ze kunnen hun rug op verbazingwekkende wijze buigen of strekken. Zo kunnen katten opgerold slapen of hun lichaam helemaal dubbelvouwen.
Bovendien kunnen ze de voorkant van hun lichaam een halve slag draaien ten opzichte van hun achterlijf. Doe ze dat maar eens na.


Lichaamsbouw
De hele bouw van een kat is gericht op beweeglijkheid. Het skelet telt 244 beenderen, bijna veertig meer dan het skelet van een volwassen mens. Het merendeel van die extra botten bevindt zich in de wervelkolom en in de staart. Toch heeft de kat zijn beweeglijkheid en souplesse niet alleen aan de extra botten te danken. Met name de gunstige grootte en vorm van de botten zorgt voor extra bewegingsvrijheid en kracht. Het sleutelbeen van de kat is bijvoorbeeld tot het
minimum gereduceerd, of ontbreekt zelfs helemaal. Dat geeft de schouderbladen meer bewegingsvrijheid en de mogelijkheid om zich aan de beweging van de voorpoten aan te passen. Het lichaam van de kat wordt hierdoor smal en gestroomlijnd, wat hem de mogelijkheid geeft aanzienlijke snelheden te bereiken.


Tijdens de jacht
Gewoonlijk bewegen katten in een rustig en behoedzaam tempo.
Maar ze kunnen zich, bijvoorbeeld tijdens de jacht, ook extreem langzaam en beheerst bewegen. Zo sluipen ze behoedzaam richting hun prooi. En mocht het prooidier iets doorhebben en verschrikt opkijken, dan is er nog geen man overboord. Katten kunnen midden in een stap stilhouden en een tijd lang in deze ‘bevroren’ houding blijven staan. Mocht de kat zijn prooi kunnen vangen, dan komen zijn klauwen en voorpoten goed van pas. Een kat kan zijn voorpoten en klauwen namelijk wijd spreiden, om zo het lichaam van zijn prooi te omvatten en vast te houden.


Springen
De poten van de kat lijken, in verhouding tot de rest van het lichaam, erg kort. Toch levert dat geen problemen op. De poten zijn namelijk erg sterk. De sterke spieren zorgen voor zoveel kracht dat de kat  anuit een rustpositie behoorlijk hoog en ver kan springen, soms wel vijf maal zijn eigen hoogte.
Een kat beschikt over een uitgebreid repertoire aan sprongen. Jonge katten maken vaak zijwaartse sprongen, met name wanneer zij met hoge snelheid op een prooi of speeltje duiken. Om zich af te zetten, gebruiken katten de klauwen van hun achterpoten. En in de lucht wordt gebruik gemaakt van de staart om te sturen. Deze plotselinge sprong dient om hen te behoeden tegen een achtervolger. Net als de verrassingssprong (meestal een achterwaartse sprong) kan ook die
in de lucht gebeuren.


kitten staandKlauteren
Katten leven niet alleen op de grond. De meesten van hen hebben de wereld ontdekt door overal in of op te klauteren. Bij het klimmen in een boom dienen de klauwen als klimijzers. De staart is daarbij handig als balanceerstang. Wanneer een kat bijvoorbeeld over de schutting loopt, verschuift zijn zwaartepunt. Helemaal automatisch houdt hij zijn staart in tegengestelde richting, zodat dit zwaartepunt weer op de juiste plaats komt, en hij niet naar beneden valt.
Kittens klimmen vaak zo hoog in een boom, dat de terugweg voor hen onmogelijk lijkt. Ze proberen dan moeizaam en angstig – met de kop vooruit – weer naar beneden te komen, tot ze op een hoogte komt van waar af ze denken veilig te kunnen springen. Ofwel: ze laten zich onbeholpen langs de stam naar beneden glijden, tot ze zich naar beneden kunnen laten vallen.
Als zo’n sprong op een val lijkt is er nog niets aan de hand. Katten hebben een eigen, automatische volgorde van bewegingen ontwikkeld, om zeker te zijn van een veilige landing. Als katten vallen, strekken ze eerst hun lichaam. Met de voorpoten vlakbij de kop en de achterpoten recht ophoog buigen ze vervolgens hun lichaam. Dan draaien ze hun voorkant een halve slag, zodat het naar de grond gekeerd is. Als laatste strekken de katten hun voorpoten richting de
grond, en draaien ze hun achterlichaam bij. Zo komen ze met alle vier de pootjes op de grond terecht.


Dikke kussens
Een kat loopt nooit op zijn voetzolen, maar altijd op zijn tenen. Deze hebben daarom dikke kussentjes, die niet alleen zorgen voor een geruisloze
loopgang, maar ook gebruikt worden als schokdempers bij het springen en sprinten. De gewrichten van de kat worden hierdoor zo veel mogelijk ontlast.


De loopgang (in kader)
Een kat verplaatst eerst zijn rechter achterpoot, dan de rechter voorpoot en vervolgens de linker achterpoot en linker voorpoot. De poten worden netjes voor elkaar geplaatst, waardoor het spoor van een kat bijna een rechte lijn is.
Maar wanneer de kat op een drafje gaat lopen, verandert zijn looppatroon. De achterpoten bewegen sneller, zodat ze gelijk bewegen met de tegenoverstaande
voorpoten. De rechter voorpoot en de linker achterpoot bewegen nu gelijktijdig, en vice versa.
En wanneer de kat begint te rennen, beweegt hij in een serie lange, lage, halve sprongen, waarbij de wervelkolom zich afwisselend buigt en strekt.
Een kat verplaatst eerst zijn rechter achterpoot, dan de  rechter voorpoot en vervolgens de linker achterpoot en linker voorpoot. De poten worden netjes voor elkaar geplaatst, waardoor het spoor van een kat bijna een rechte lijn is.
Maar wanneer de kat op een drafje gaat lopen, verandert zijn looppatroon. De achterpoten bewegen sneller, zodat ze gelijk bewegen met de tegenoverstaande
voorpoten. De rechter voorpoot en de linker achterpoot bewegen nu gelijktijdig, en vice versa.
En wanneer de kat begint te rennen, beweegt hij in een serie lange, lage, halve sprongen, waarbij de wervelkolom zich afwisselend buigt en strekt.